Gratis verzending vanaf €45,00

Organische reststromen op de bodem: hoe zit dat juridisch?

Deze blogserie gaat over ons project Terug naar de Bodem waarin we onderzoeken of een aantal organische reststromen gebruikt kunnen worden als bodemverbeteraar in de akkerbouw én hoe dit juridisch mogelijk gemaakt kan worden. In deze zevende blog lees je hoe het juridisch zit met het gebruik van organische reststromen op de bodem. Onder deze blog vind je een overzicht van alle blogs in deze serie.

In blog 5 van deze serie hebben we besproken wanneer en hoe je een reststroom mag gebruiken. Maar hoe werkt het als je een reststroom wil gebruiken als bodemverbeteraar? Zoals besproken zijn er  allerhande organische monostromen beschikbaar met een hoog organisch stofgehalte én neemt het organisch stofgehalte in de bodem drastisch af. Het gebruiken van organische reststromen als bodemverbeteraar klinkt dus als een logische optie. Nu kan je na het lezen van blog 5 geconcludeerd hebben dat je te maken hebt met een bijproduct, voortgezet gebruik of einde-afval. Helaas betekent dat niet dat je deze stof op de bodem mag brengen. Je hebt bij het toedienen van een stof op de bodem namelijk te maken met de Meststoffenwetgeving

De verhandeling van meststoffen is geregeld in de Meststoffenwet, het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Hierin wordt naast bescherming van de handel ook gekeken naar het belang van de bescherming van de kwaliteit van bodem en grond- en oppervlaktewater.

Een van de generieke voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit is dat meststoffen niet mogen bestaan uit of geproduceerd zijn uit afvalstoffen of uit reststoffen. Deze eis is opgenomen om te voorkomen dat een ongebreidelde stroom rest- en afvalstoffen als meststof in de landbouw zou worden afgezet.

Betekent dat dat het onmogelijk is om organische reststromen op de bodem te gebruiken? Nee, onmogelijk zeker niet, maar je moet wel door een paar hoepeltjes springen. Dat ziet er schematisch weergegeven als volgt uit: 

Afvalstoffen vallen in principe  onder de Wet milieubeheer (Wm). Een uitzondering bestaat voor die afvalstoffen, die met goed gevolg volgens het protocol beoordeling stoffen meststoffenwet zijn getoetst en door de Staatssecretaris van EZ bij ministeriële regeling zijn aangewezen. Dit gebeurt zodra er geen landbouwkundige of milieukundige bezwaren bestaan wanneer de stoffen als meststof worden gebruikt (art. 5 lid 2 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet). De verhandeling van deze stoffen valt dan niet meer onder de Wm. Alle stoffen die op de bodem mogen worden aangebracht (als zogenoemde meststoffen of bodemverbeteraars) zijn opgenomen in Bijlage Aa van de Meststoffenwet. Stoffen staan op deze lijst als ze waardevol zijn voor de landbouw. Enkele voorbeelden zijn schuimaarde (reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige winning van suiker uit suikerbieten) en afgewerkte dekaarde van de teelt van machinaal geoogste champignons.

Het is aan de aanvrager om te bewijzen dat de stof als meststof gebruikt kan worden én waardevol is voor de landbouw. Om dit te bewijzen is onderzoek nodig. Dit kan een simpel onderzoek zijn naar de samenstelling van de stof of bij complexere vraagstukken een veldproef waarbij de effecten van de stof op de bodem over een aantal jaren gemeten worden.

Omdat een veldproef betekent dat er stoffen die vooralsnog gekwalificeerd worden als afvalstoffen uitgereden worden op landbouwgrond, is daarvoor een tijdelijke ontheffing nodig op basis van de wet milieubeheer (art. 10.63). Ook voor het vervoer van deze stoffen van de locatie waar de reststromen vrijkomen naar de landbouwgrond zijn de nodige ontheffingen noodzakelijk. 

Bij positieve testresultaten kan een aanvraag worden gedaan om de stof op te laten nemen in bijlage Aa van de meststoffenwet. De procedure ziet er globaal gezien als volgt uit:

  1. Indienen voorstel bij Staatssecretaris van EZ per adres van RVO
  2. RVO controleert of het voorstel volledig is
  3. RVO vraagt om een deskundigenoordeel van de CDM (commissie deskundigen meststoffenwet)
  4. CDM toetst volgens het protocol of de stof voldoet aan alle landbouwkundige en milieukundige voorwaarden (duur: 13 weken)
  5. CDM stuurt een onderbouwd deskundigenoordeel aan de beleidsverantwoordelijke Directie Plantaardige Agroketens en Voedselkwaliteit van het Ministerie van EZ. Deze voert een beleidsmatige toetsing uit en zendt de bevindingen samen met het oordeel van de CDM aan de Staatssecretaris van EZ. De Staatssecretaris beslist of de stof aangewezen wordt als meststof.

Wij hebben voor ons onderzoek inmiddels een tijdelijke ontheffing op basis van de Wet Milieubeheer. De volgende stap is de aanvragen doen om de reststromen op de lijst van bijlage AA te krijgen. Hoe dit in de praktijk verlopen is delen we volgend jaar! 

Meer weten? Deze serie bestaat uit 14 blogs waarin we je alles vertellen over het project. Klik en lees meer:

  • Intro: blogserie Terug naar de Bodem 
  • Terug naar de Bodem: het plan 
  • Reststromen op de bodem: waarom? 
  • Van plan naar experiment: de juridische reststromen soap
  • Afvalwetgeving: wat is afval? 
  • Afvalstof of product: hoe pak je dat aan? 
  • Organische reststromen op de bodem: hoe zit dat juridisch? 
  • Het bodemonderzoek: meten is weten 
  • Update 1: potproeven, reststromen verzamelen & uitrijden
  • Update 2
  • Update 3
  • Reststromen op de bodem: de onderzoeksresultaten
  • Reststromen op de bodem: de impact 
  • Reststromen op de bodem: de volgende stappen 
  •  

    Laat een reactie achter

    Opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd